Gehechtheid patronen als fundament van de persoonlijkheid

Ontstaan van gehechtheid patronen

Het biologisch voorgeprogrammeerde gehechtheidssysteem dwingt een kind tot het zoeken van de nabijheid van een gehechtheidsfiguur, omdat zijn overleven afhangt van de verzorging en bescherming door andere mensen. Het biologische gehechtheidssysteem zet aan tot de communicatie tussen het kind en zijn verzorger, en bestaat uit gezichtsuitdrukkingen, intonatie, houding, gebaar en ritme. Dit is de communicatie tussen het somatische-emotionele zelf van het kind en dat van de verzorger (ook wel rechter- tot de rechter hersenhelft communicatie genoemd). Het onderwerp van de communicatie bestaat voornamelijk uit de innerlijke toestanden van het kind, in het bijzonder zijn emoties en intenties. Terwijl de communicatie zich ontvouwt via lichamelijke expressie, leert het kind dingen over zichzelf en anderen. Wat zijn zijn eigen emoties en intenties? Zullen anderen die herkennen en zich er op afstemmen? Zal het lonend voor hem zijn als hij het initiatief neemt, zelfstandig of met hulp van anderen, tot pogingen om zijn eigen innerlijke toestanden te beïnvloeden? Gehechtheid patronen zeggen iets over de mate van het vermogen autonoom te functioneren onder normale omstandigheden, en het zich al dan niet openstellen voor emotionele nabijheid van anderen voor steun, troost en bescherming in tijden van stress, pijn of gevaar.

Gehechtheid patronen ontstaan doordat ervaringen binnen gehechtheidrelaties leiden tot impliciete verwachtingen over het contact met anderen. Deze verwachtingen worden opgeslagen in het impliciete geheugen, en zijn dus het resultaat van reacties op vroege ervaringen met de mensen waar iemand afhankelijk van was.

De specifieke gevoelens, gedachten en daden van het kind waaraan binnen gehechtheidsrelaties ruimte geboden is, worden geïntegreerd. Terwijl uitingen van het zelf die afwijzende, onvoorspelbare, beangstigende of helemaal geen reacties van de gehechtheidsfiguren uitlokken resoluut worden vervormd of uit het bewustzijn zullen worden geweerd (zie ook de pagina over beschermingsmechanismen). Op een leeftijd van 12 a 18 maanden heeft zich op basis van deze ervaringen een relatief stabiel gehechtheidspatroon ontwikkeld. Deze vormt het fundament van hoe iemand zichzelf, anderen en de wereld ziet, ervaart en ermee omgaat.

Veilig georganiseerde gehechtheid patronen

Binnen een veilig gehechtheidspatroon zijn er relatief optimale en vaste patronen in de omgang met anderen en zichzelf.

Veilig gehechtheid patroon

Als de gehechtheidsfiguur afgestemd is op de emotionele toestand van het kind, ervaart het kind die figuur in momenten van paniek als een veilig toevlucht. Daarbij ervaart het kind die figuur als een beschikbare veilige basis zodat autonome exploratie op een relatieve veilige manier mogelijk is.

Binnen een veilige gehechtheidsrelatie leert iemand:

  1. Dat het uiten van zijn gevoel positieve resultaten kan geven, wat weer positieve gevoelens over zichzelf en over relaties met anderen oplevert.
  2. Dat hij invloed kan uitoefenen op anderen, wat zorgt voor een ontluikend gevoel van zelfstandigheid om te kunnen exploreren en het vermogen initiatief te nemen.
  3. Dat bepaalde gevoelens bepaalde reacties uitlokken. Dit helpt hem een begin te maken met het kunnen onderscheiden en uiteindelijk het benoemen en begrijpen van zijn gevoelens.

Leren dat emoties kenbaar, benoembaar, overdraagbaar en veranderbaar zijn, kan een mens alleen in de context van een relatie met iemand anders die afgestemd is op die emoties. Binnen zo’n veilige gehechtheidsrelatie ontwikkelt iemand zo het vermogen tot  emotieregulatie. Die afgestemde ander (gehechtheidsfiguur) moet in staat zijn om:

  1. Te reflecteren op eigen emoties om ze te reguleren, zodat hij door middel van een houding of handeling aangeeft dat de stress van de ander beheersbaar is.
  2. De emoties van de ander begrijpen in het licht van zijn intenties.
  3. Deze emoties kunnen spiegelen door middel van gezichtsuitdrukkingen, intonatie, gebaren, enzovoorts, zodat iemand zich gekend voelt en leert emoties en intenties te verwoorden. Door emoties onder woorden te brengen kunnen die geïdentificeerd, gedeeld en veranderd worden.

Bij stress, pijn of dreiging zoekt een veilig gehechte persoon contact met een gehechtheidsfiguur voor bescherming, steun en troost (interactieve regulatie). Als er geen gehechtheidsfiguren beschikbaar zijn, is er het vermogen om zichzelf te reguleren (auto regulatie). Mensen met een veilig hechtingspatroon hebben als kind vele van de volgende cyclische ervaringen gehad: dreiging of pijn –> steun en troost zoeken –> een voorspelbare en afgestemde reactie krijgen –> kalmeren en ontspannen –> spelen en exploreren.

Gehechtheidsfiguren die zelf een veilig gehechtheidspatroon hebben, kunnen minder bevoorrechte partners helpen (kinderen, cliënten, minder veilig gehechte partners) bij het ontwikkelen van patronen van emotieregulatie die zowel vormgeven aan, als gevormd worden door relatiepatronen. Als iemand geholpen wordt met de gevoelens die hij uit, zal hij doorgaans steeds ongedwongener en competenter worden in het weten en tonen wat hij voelt, wat weer een belangrijk onderdeel is van weten hoe hij een veilige relatie kan hebben.

Uit onderzoekt lijkt nu ongeveer 65% van de mensen een veilig gehechtheidspatroon te hebben.

Verworven veilig gehechtheid patroon

Als een gezonde ontwikkeling ontspoorde door tekortkomingen binnen iemands allereerste relaties ontstaat een onveilig hechtingspatroon. Op latere leeftijd kan iemand echter alsnog een veilig hechtingspatroon ontwikkelen door opnieuw een interactieve gehechtheidsrelatie aan te gaan met iemand die zelf een veilig hechtingspatroon heeft. Het is daarbij essentieel dat iemand zich begrepen voelt als iemand wiens gedrag betekenis krijgt vanuit onderliggende gevoelens, intenties en overtuigingen en iemand het besef heeft dat hij bestaat in de geest en in het hart van een liefhebbende, zorgzame, aandachtige en zelfbewuste ander. Dit zorgt voor een veilige basis om de werkelijkheid, inclusief de eigen innerlijke werkelijkheid te kunnen exploreren via een reflectief/mindful zelf.

Onveilig georganiseerde gehechtheid patronen

Dit zijn suboptimale, maar vaste patronen in de omgang met anderen en zichzelf. Als emotionele signalen van een kind een niet afgestemde reactie opriepen die het zoeken naar nabijheid en/of naar autonomie ontmoedigde, dan zal de primaire veilige gehechtheidsstrategie gewijzigd worden in een secondaire gehechtheidsstrategie. Die kan bestaan uit een deactivering of juist van een hyperactivering van het gehechtheidssysteem.

Vermijdend gehechtheid patroon

Als de door het kind gegeven tekenen van psychische nood en ook zijn zoeken naar nabijheid, reacties oproepen die afwijzend of overheersend en controlerend zijn, wendt het zich tot een deactiverende strategie. Als de ouders zijn zoeken naar nabijheid afwijzen, blijft herstel van het emotionele evenwicht van het kind achterwege. Terwijl anderzijds een overheersende en controlerende houding van de ouders ertoe kan leiden dat het kind zich emotioneel overprikkeld voelt. In geen van beide gevallen heeft het kind hulp gekregen bij het omgaan met zijn problematische gevoelens, eerder het tegendeel. Om in deze omstandigheden een zo goed mogelijke gehechtheidsrelatie te behouden, leert het kind zijn gevoelens en het uiten daarvan overmatig te reguleren, en afstand te nemen van zijn impulsen om contact te zoeken met anderen. Hij richt zich op zelfstandige exploratie om gehechtheidsgevoelens te deactiveren.

Deze vermijdende deactiverende strategie bij volwassenen kan blijken uit een sterke neiging tot activatie van de linkerhersenhelft (analyseren, intellectualiseren) en het parasympathisch zenuwstelsel. Wat bij deze strategie ongeïntegreerd blijft, zijn alle emoties, verlangens en genoegens die samenhangen met intieme relaties. De ontwikkeling van het vermogen tot diepe gevoelens, seksuele expressie, gezonde afhankelijkheid en vertrouwen, worden door het vermijden van intimiteit ernstig beknot. De rechterhersenhelft blijft onderontwikkeld.

Bij stress, pijn of dreiging worden toenaderingsbehoeften en gevoelens minimaal gevoeld en getoond, doordat het gehechtheidsysteem gedeactiveerd wordt. Als iemand toch verlangens en behoeften voelt, kan hij het gevoel hebben dat deze hem beheersen, en daarom geneigd zijn ze te verwerpen. Iemand kiest (onbewust) voor een isolement, om afwijzing of overheersing door anderen te voorkomen. Iemand ziet zichzelf als sterk en zelfstandig maar de innerlijke ervaring is die van leegte en isolatie en er is een diffuus gevoel van onrust en een bedrukte stemming. Iemand uit zich subtiel en indirect en voelt zich snel afgewezen. Hij gaat er veelal vanuit dat hij merkbaar anders is dan anderen, terwijl hij in anderen doorgaans geprojecteerde elementen ziet van eigen ongewenste en onbewust geraakte eigenschappen (valse ongelijksoortigheid).

Onwillig, afwezig, kritisch of controlerend gedrag maskeert angst voor vertrouwelijkheid en afhankelijkheid. Het bewuste werkmodel over zichzelf als sterk en compleet en anderen als zwak en afhankelijk maskeert het gevreesde onbewuste zelfbeeld als hulpeloos en kwetsbaar, en de ander als afwijzend, overheersend of bestraffend.

De volgende drie patronen van vermijding komen veel voor:

  1. Devaluerend patroon (narcistisch). Iemand heeft een te hoge dunk van zichzelf en een te lage dunk van anderen. Dit is een bescherming tegen schaamte. De afweermechanismen van gedepriveerde en narcistisch devaluerende ouders worden overgenomen.
  2. Idealiserend patroon. Door de narcistische behoefte van de ouders te vervullen in de vorm van bewondering kon iemand zichzelf ook bijzonder voelen terwijl het risico om eigen boosheid en afhankelijkheid te voelen wordt vermeden. Er is een aanname dat bewondering van de ander nodig is om diegene overeind te houden.
  3. Controlerend patroon. Iemand maakt van relaties een machtsstrijd gedreven door de angst overheerst te worden als hij zelf niet overheerst. Hij is opgegroeid met controlerende, stugge en veeleisende ouders die hun eigen boosheid onderdrukte.

Uit onderzoekt lijkt nu ongeveer 20% van de mensen een vermijdend gehechtheidspatroon te hebben.

Ambivalent gehechtheid patroon

Bij een hyperactiverende strategie lijkt het te draaien om het streven naar intimiteit. Bij ouders wier ontvankelijkheid voor de emoties van het kind onvoorspelbaar was, daar gebrekkig op was afgestemd en/of die zelfstandigheid en onafhankelijkheid niet aanmoedigde, leert het kind dat het meer kans heeft om aandacht van zijn ouders te krijgen als het de expressie van zijn gevoelens versterkt. Niettemin was de kwaliteit en kwantiteit van de uiteindelijke aandacht gewoonlijk niet in overeenstemming met de behoefte van het kind. Zodoende leert hij niet alleen dat zijn pogingen om steun te krijgen veelal niet het gewenste resultaat zullen hebben, maar ook dat hij, om de wel beschikbare aandacht te kunnen vinden, op volle toeren uitdrukking moet blijven geven aan zijn psychische misère.

Bij stress, pijn of dreiging worden toenaderingsbehoeften en gevoelens uitvergroot en ontstaat een hyperactivering van het gehechtheidsysteem. Iemand wordt geheel in beslag genomen door het vermijden van afstand jegens anderen. Er is veel zelf twijfel en angst voor verlating. Er wordt voortdurend gespeurd naar interne en externe signalen die de psychische stress versterken. Dit patroon ondermijnt het potentieel voor emotioneel evenwicht, zelfrespect en vertrouwen in anderen.

Gehechtheidsfiguren worden vaak als onvoldoende beschikbaar ervaren. De linkerhersenhelft blijft onderontwikkeld. Iemand is geneigd om aan te nemen dat anderen het zelfde zijn als hij, en hij ziet in anderen doorgaans de geprojecteerde elementen van eigen feitelijke eigenschappen (valse overeenstemming).

De strategie van hyperactivering stimuleert een gevoel van persoonlijke hulpeloosheid, waardoor de integratie van positieve gevoelens over het zelf of anderen wordt belemmerd. Het zelfrespect wordt ondermijnd door een overmatige afhankelijkheid, die onbewust bedoeld was om verlating te voorkomen, maar die als volwassene verlating juist vaak uitlokt. Hyperactiviteit als afweermechanisme ondergraaft ook de ontwikkeling van wederkerigheid in relaties, zelfstandigheid in denken en doen en de emotieregulatie. Bij hyperactivering wordt het sympathische zenuwstelsel geactiveerd en dit leidt tot vermindering van het vermogen om corticale controle over emotionele reacties uit te oefenen.

De volgende twee patronen van ambivalentie komen veel voor:

  1. Patroon van hulpeloosheid. Het zoeken van contact door middel van hulpeloosheid en verleidelijkheid. Iemand leeft meer in de psyche van de ander, dan in die van zichzelf. Daardoor is hij bang om zichzelf te laten gelden en bereid anderen welgevallig te zijn.
  2. Patroon van boosheid. De teleurstelling over de kwantiteit en kwaliteit van het contact dat nagestreefd wordt, wordt geuit in boosheid en beschuldigingen. Met de boosheid wordt getracht contact en beschikbaarheid alsnog af te dwingen.

Bij beiden patronen is de onderliggende overtuiging dat hij het niet redt zonder het contact. Iemand is zo gepreoccupeerd door de beschikbaarheid van anderen, dat er weinig of geen tijd overblijft voor exploratie. Bij dit patroon blijkt iemand echter beter in staat gevoelens te reguleren, dingen te begrijpen en beschikt over meer kwaliteiten dan hij denkt of bereid is te erkennen.

Uit onderzoekt lijkt nu ongeveer 10% van de mensen een ambivalent gehechtheidspatroon te hebben.

Onveilig gedesorganiseerde gehechtheid patronen

Dit zijn wisselende patronen binnen een individu als gevolg van traumatische gebeurtenissen binnen gehechtheidsrelaties. Deze hebben destructieve gevolgen voor de zelfbeleving en de relaties met anderen. Interne conflicten tussen afgesplitste delen van het zelf, dissociatie en schaamte spelen hierbij een hoofdrol.

Gedesorganiseerd gehechtheid patroon (ook wel traumatisch gehechtheidspatroon genoemd)

Mensen met een gedesorganiseerd hechtingspatroon hebben ouders die zelf kampen met onverwerkte traumatische ervaringen en die daarmee angstwekkend en onvoorspelbaar gedrag vertonen zoals afwezigheid/dissociatie, angst/paniek, woede/agressie, walging en/of toenadering om eigen behoeften te bevredigen (om zelf rustig te worden, aandacht te krijgen, et cetera). De ouders zijn hiermee gelijktijdig de mensen waar bescherming en troost worden gezocht, als een bron van gevaar. Als gevolg hiervan worden bij stress, pijn of dreiging in eerste instantie zowel het gehechtheidsysteem (schreeuw om hulp) als het verdedigingssysteem (vechten, vluchten, bevriezen of onderwerpen) geactiveerd. Dit zijn conflicterende systemen in het brein. Dissociatie is dan de enige uitweg omdat een onveilig hechtingsfiguur niet veilig benaderd kan worden, maar evenmin kan worden ontweken.

Mensen met een gedesorganiseerd hechtingspatroon hebben als kind vele van de volgende cyclische ervaringen gehad: het gehechtheidsysteem bij stress wordt geactiveerd –> verzorger reageert agressief, met paniek of dissocieert in plaats van verzorgend –> meer stress en activering van defensiesystemen –> dissociatie. Als het gehechtheidssysteem later toch weer getriggerd wordt levert dat heftige angst op. Er is angst zonder oplossing voor de angst. Dit vormt de basis voor een complexe traumatische stressstoornis en/of dissociatieve stoornissen. Hierbij stagneert de groei van drie belangrijke integratieve breinweefsels  (prefrontale cortex, corpus callosum en hippocampus) en/of zijn deze weefsels later beschadigt. Als gevolg hiervan kan iemand emoties niet goed reguleren waardoor ze, ook later als volwassenen, makkelijk escaleren (in de vorm van paniek, razernij en/of wanhoop). Dit escaleren wordt ook wel ‘uit je tolerantievenster schieten’ genoemd. Omdat de stress hiervan door het lichaam niet te hanteren  valt, ontstaan dissociatie-patronen. Deze helpen het kind eerst in een traumatische omgeving te overleven maar later in zijn leven hinderen ze zijn vermogen zich te verbinden met zichzelf/zijn lichaam en anderen. Dit verhindert op zijn beurt weer een verdere ontwikkeling van de integratieve breinweefsels. Er ontstaat pathologie.

Als ouders het kind niet adequaat spiegelen en dus hetgeen het kind bij de ouder ziet niet overeenkomt met de eigen innerlijke beleving ontstaat verwarring omtrent het zelf en kan geen eenduidige zelfbeeld ontstaan. Het kind ontwikkelt meerdere representaties van de ouder en daarmee meerdere representaties van zichzelf. Binnen de gehechtheidsrelatie worden de posities van slachtoffer, dader en redder afgewisseld. In de slachtofferpositie zie je terugtrek (vlucht)gedrag of een schreeuw om hulp (in paniek pogen zich vast te klampen aan iemand anders). In de redderpositie zie je zorggedrag. En in de daderpositie zie je destructief gedrag tegenover zichzelf of de ander. Er ontstaan verschillende gehechtheidspatronen binnen het kind. Afhankelijk van wat wordt waargenomen in de ander, wordt een bepaald gehechtheidspatroon geactiveerd.

Uit onderzoekt lijkt nu ongeveer 5% van de mensen een gedesorganiseerd gehechtheid patroon te hebben.

Ontstaan van controlerende gehechtheidspatronen n.a.v. een gedesorganiseerde gehechtheid

Bij een gedesorganiseerde gehechtheid zie je rond het zesde levensjaarjaar meestal een nieuw patroon ontstaan om de innerlijke chaos te ontvluchten. Er ontstaan patronen om het gedrag van de ouders(s) te controleren. Deze nieuwe patronen zijn meer georganiseerd en onderdrukken de innerlijke verwarring, paniek, hulpeloosheid, pijn en verlatenheid. De drie volgende controlerende patronen komen het vaakst voor:

  1. Zorg gevend gedrag. De rollen van zorg zoekend en zorg gevend gedrag worden omgedraaid. Het gehechtheidssysteem wordt gedeactiveerd door het zorgsysteem. Dit patroon ontstaat vaker als de ouder zich als slachtoffer opstelt en gedissocieerd, angstig, of hulpbehoevend gedrag laat zien. Binnen dit patroon vormen zich vaak internaliserende problemen als angst en depressie.
  2. Straffend dominant gedrag. De rollen in de hiërarchie van dominantie en onderdanigheid worden omgedraaid. Het gehechtheidssysteem wordt gedeactiveerd door het sociale hiërarchie systeem. Door agressief gedrag wordt geprobeerd de ander te controleren. Dit patroon ontstaat vaker bij ouders die agressief zijn. Binnen dit patroon vormen zich vaak externaliserende problemen als agressiviteit en grensoverschrijdend gedrag.
  3. Seksueel verleidend gedrag. De rollen van verleider en verleid worden worden omgedraaid. Het gehechtheidsysteem wordt gedeactiveerd door het seksuele systeem. Dit patroon ontstaat vaker bij ouders die het kind seksueel misbruiken.

Alle drie de patronen zijn gericht op het in stand houden van de verbinding met de ander. Een contact dat voorspelbaarder is, en daardoor veiliger voelt dan tijdens de periode waarin het gehechtheidsysteem van het kind steeds werd geactiveerd.

Bedreigingen voor de georganiseerde controlerende hechtingspatronen, waardoor de desorganisatie weer tevoorschijn komt:

  • Traumatische gebeurtenis

Als iemand op latere leeftijd een traumatische gebeurtenis meemaakt, wordt het gehechtheidsysteem geactiveerd. Veilig gehechte mensen zoeken na zo’n gebeurtenis verbinding met anderen, zodat ze met behulp van troost hun emoties kunnen uiten en met het vertellen van hun ervaringen betekenis kunnen geven aan het gebeurde. Op deze manier kunnen ze de traumatische gebeurtenis verwerken. Echter, bij mensen met een gedesorganiseerde gehechtheid roept de activatie van het gehechtheidsysteem paniek en verwarring op in plaats van toenaderingsgedrag. Het gehechtheidsysteem is ouder dan de andere systemen en dus verdringt deze de secundaire controlerende patronen bij schokkende gebeurtenissen. Er ontstaat op zo’n moment vaak een afwisseling van destructief gedrag jegens zichzelf of anderen (vechten vanuit de daderrol), extreem zorggedrag (vanuit de reddersrol), zich terugtrekken (vluchten, grijpen naar verdovende middelen of dissociëren vanuit de slachtofferrol)en het uiten van heftige emoties (schreeuw om hulp vanuit de slachtofferrol). Dit is de afwisseling van de rollen van dader, redder en slachtoffer binnen de dramadriehoek.

  • Intiem contact

Bij intiem contact laat iemand zijn authentieke zelf zien en reageert op de ander met authentieke en vaak liefdevolle gevoelens. Als iemand met een gedesorganiseerd gehechtheidspatroon iemand tegenkomt die zich zo open opstelt, wordt zijn controlerende gedrag niet beantwoord met complementair gedrag (zoals bijvoorbeeld zich laten verzorgen, zich onderdanig opstellen of zich laten verleiden). De angst kan dan zo hoog oplopen dat iemand uit zijn tolerantievenster schiet. De fragiele organisatie valt uiteen. Wat overblijft, is anticipatie op dramatische en tegenstrijdige verwachtingen van de ander. Afwisseling van de rollen binnen de dramadriehoek is het gevolg.

Samenvattend: als controlerend gedrag wordt ondermijnd door bijvoorbeeld een traumatische gebeurtenis of intiem contact en iemands gedeactiveerde gehechtheidsysteem wordt getriggerd, dan kan diegene zichzelf en de ander alleen nog waarnemen als dader, slachtoffer of redder.

Bronnen:

  • Echo’s van trauma, Marijke Baljon en Renate Geuzing
  • Hechting in psychotherapie, David J. Wallin